van het Hoogste Woord

Zo wil ik zijn… Het is ook mijn boodschap, want ik héb een boodschap… dwazer kan haast niet!

Wij, erfgenamen van het woord, wij hebben haast geen woorden meer om de diepste beleving van ons Zijn mee weer te geven. Wij verkeren in hoogste staat van ledigheid. Dat maakt dat wij ons willen vullen met van alles… dat maakt ons leven zwaar en zwaarwichtig.
Het Hoogste Woord raakte versleten, uitgekauwd. We hebben het uitgespuugd nadat we het hadden misbruikt en verkwanseld ten bate van menig al te menselijk doel.
Het Hoogste Woord brengt ons nu in verlegenheid, wij schamen ons daarvoor, voelen ons een beetje meewarig aangekeken, verdacht van starheid en fundamentalisme.

Waar heb ik het over?

Het Hoogste Woord, dat alles pakt: het zegbare en het onzegbare, het begrijpelijke en het onbegrijpelijke, het eerste en het laatste, het hoogste en het laagste… dát woord.
Het Hoogste Woord dat alles zegt en tegelijk ook niets, maar waarin ik het wonder beleef van mijn aanwezigheid, het geheimenis van mijn zijn, van alle zijn… dát woord.
Het Hoogste Woord waarop ik mij richt om open te gaan, en in op te gaan, mens te zijn…
dat wil zeggen: beeld van zin en bezieling, zaad van de Universele… dát woord. Het Hoogste Woord waardoor een Eigen doel, een Eigen zin kan spreken… dát woord.
Het Hoogste Woord waarvan niets te zeggen valt, alleen maar in beeldspraak: Deur, Adres, Poort, Vader, Moeder, Voeder… om daar dan aan te kloppen en te wachten, iets omhoog te roepen, wat te zingen… omdat het goed is zo te doen en zo te zijn, in afwachting… dát woord.

Maar nu…
Het Hoogste Woord… ‘dat alles wist… ligt stil te staren in zijn sprakeloze kist…’ Wie laat het Hoogste Woord herleven? … en moet dat? … en waarom?

Hoe vreemd… dit woord… dit Hoogste Woord
Everlasting… in zoveel talen… en tijden… uitgesproken… gegeten en gedronken…
Het Hoogste Woord wijst op mijn menselijke onwetendheid, terwijl ik toch zelf als hoogst persoonlijk bestanddeel deelneem aan het Zijn en zo het Weten in mij meedraag. Het Weten is altijd bij mij, in mij en met mij.
Eigenlijk weet ik alles… vanaf het begin… maar hoe maak ik mij dat weer Eigen?
Dit vond ik:
Langs de weg van het Hoogste Woord, dit ultieme Vreemd gaan, kan het Weten zich heel intiem in mij voltrekken.
En ook dit weet ik:
Uiteindelijk geef ik alle woorden op, maar wel met diep respect en in eerbiedig zwijgen.

Eerst nog :

Vier in één…

De Danser…

Lopen als een danser, op dansvoeten, als een lichtgewicht.
Hoe zwaar weegt niet een lijk?… meer dan een danser kan dragen.
Daarom deze vragen:
Trek ik aan mijzelf als aan een dode?
Sleep ik mijzelf voort door de tijd?
Hoe gewichtig heb ik mijzelf gemaakt?
Of weet ik mij gedragen, opgenomen in een dans, de dans van het leven!

Hoe heerlijk en heelrijk is het om te dansen en de starre, rechtlijnige beweging te doorbreken door een lichtvoetig zwieren, waarin het hele lichaam meebuigt, meedraait en dan opeens omhoog komt en zich aan de zwaartekracht lijkt te onttrekken in een opwaartse sprong.
Ik bedoel hier de dans als niet-voorgeschreven beweging, het vrij ingevulde gaan, links, rechts, naar voren, naar achteren, omhoog, omlaag in een onvoorspelbare afwisseling, zomaar begonnen, zolang het duurt…

Ik ben een danser… zo’n danser!
Ik ken de pasjes niet. De pasjes worden geboren uit het heerlijke gevoel dat ik mij bewegen kan. Het is een daad van dankbaarheid. Maar het is nog meer!
Iets beweegt mij. Ik doe het dansen niet. Het dansen viert in mij haar eeuwigdurend bestaan. Dit dansen gaat door, zelfs als ik stil lig. Dit dansen brengt mij vanzelf in beweging als ik mijn gedachten loslaat, het richting geven uit handen geef.
Dit dansen is een overgave aan de Beweger, die tegelijk de Beweging is.
Zelf ben ik een product van verstarring, samenklontering, sediment van genomen besluiten, maar de dans brengt dit alles weer tot leven, herinnert mij waar ik vandaan kom, wie ik ben: Licht uit Licht, bewogen beweging, poëzie en poëet, danser en dans, het Al-in-één.
En ik weet: elke stroom wordt ooit een zee, elke les wordt eens een leer, maar de danser brengt het beeld tot leven… hoe zal ik dansen?

Is mijn dans mechanisch, voorspelbaar, zwaar… of komt mijn dans omhoog, vliegt zij op, strijkt zij neer om weer op te stijgen, is zij vrij en… maakt zij vrij?
Dans ik om te vergeten, te verdrukken, te verdrijven, of dans ik om te vieren, vervult het dansen mij met intense aanwezigheid en voel ik mij lichter dan ooit?
Is mijn dans een omklemming, een grimas, een slavernij, een gepaste verdeling van zetten, een afgesproken werk, of is zij een ontmoeting, een aanraking, een buiging, een uit-een gaan, een verlangen, een weerzien?
Dans ik in een ruimte die ik met mij verbonden weet, omdat ik zelf die ruimte ben?
Is mijn dansen omvattend, binnen en buiten?… Mijn dansen is dan openbaren.
Zo baar ik God en baart God mij… heb ik geen voorstelling, maar ben ik een voorstelling van het Hoogste Punt dat danst in mij.

Laat mij een danser zijn!
Laat mij weer dansen zoals ik dansend in de wereld viel, verbonden werd met deze keten van Zijn… neerkwam uit het Al-dan-Niets… op de bodem van dit bestaan.
Hef mij weer op voor een nieuwe sprong!
Dit dansen is de glans van de Danser die danst in mij. Dit dansen is het verlangen dat mij optrekt uit de zwaarte die ik moet ondergaan.
Dit dansen is herinneren, is dromen, is loskomen van de grond, omdat mijn ware grond niet onder mijn voeten ligt, maar in de Beweger die alles schudt om er te zijn.

De Dienaar

Wachter bij de deur, waarnemer, schouwer, toeschouwer.
De dienaar ziet toe wie ingaat en wie uitgaat, hij let op de stand van zaken.
De dienaar staat daar om te dienen en te doen wat nodig is.
Hij dringt zich niet op, hij is bescheiden en als hij roemt dan roemt hij zijn Meester.
Hij is innemend, gericht op het welzijn van de gasten.
De dienaar zit niet, hij staat vooral, hij zorgt ervoor dat het de gasten aan niets ontbreekt.
De dienaar is de hand van de Heer des Huizes, hij heet welkom en zegt vaarwel.
Hij staat bij de ingang en bij de uitgang en overal waar drempels zijn bewaakt hij het passeren, schenkt hij de glazen vol…

Ik ben een dienaar… dienaar van het Hoogste Woord.
Ik ben hier om te doen wat nodig is. Wat is nodig?
Het is nodig, hoog nodig, dat het Hoogste Woord weer ingang vindt.
Na het démasqué van de oude god, met zijn gerafelde jas en valse wimpers waarmee hij oogluikend het menselijk misbruik tolereerde. Deze kapstok van menselijk machtsbegeren, marionet van devote schijn! De hele garderobe naar de wasserij en sommige kledingstukken voorgoed naar de afvalberg!

Het Hoogste Woord verschijnt in beeldspraak, het ontleent zijn klerenkast aan menselijke verhoudingen en situaties. Dat is niet verkeerd, zo ontstaat een gevoel van nabijheid en herkenning. Maar het Hoogste Woord is ook de Vreemdeling bij uitstek, de meest onbepaalde Verste Verte. In het Hoogste Woord benoemen wij de eenheid en heelheid waarin ook wijzelf begrepen zijn. Het Hoogste Woord is de Paradox van alle paradoxen: Creator en Verwoester.
Het Hoogste Woord dat in mij woont, maakt mij tot een ontheemde, vreemde bewoner op een vertrouwde planeet.

Persoonmakend is zij, schepper van emoties, ontwerper van instincten, inspiraties en intelligenties, nabij is zij en veraf, vreemd en verbonden, deel en geheel… het hele spectrum tussen haat en liefde, zin en onzin… te vatten in één enkel woord: Het Hoogste Woord.
Meest problematisch, meest gewoon, aanspreekbaar en aansprekend.
Wie luistert naar het Hoogste Woord luistert naar zichzelf in staat van hoogste Verbondenheid en soms in staat van hoogste Vervreemding, dan spreekt het wijzer dan ik weet, of zieker dan ik ben.

Ik ben een dienaar, knecht van het woord, Het Hoogste Woord.
Geen letterknecht, maar dienaar van hoogste Zin. Mijn buigen is reiken, mijn schenken is scheppen en als ik wacht dan verlang ik naar de stem van mijn Roeper.
Zolang ik mijzelf mijn eigendom waan, kan ik niets geven, maar geef ik mijzelf uit handen, vertrouw ik mij toe, geef ik mij over aan het Al-dan-Niets, dan dien ik mijn Verkondiger, weet ik mij zijn lief, spreekt het woord mij uit en draagt het mij… als een Vader, als een Moeder, voedt Het mij.

Het woord verlangt te dienen, op te wekken en rond te gaan.
Het woord is ons wezen, in woorden worden wij waar.
Achter de woorden wacht de Stilte van het Eeuwige Zijn.
Woorden zoeken naar een spreker, zoals de Spreker zocht naar het woord om er te zijn.
Het woord wil overleven, óverleveren… van Ginds, wat ons te boven gaat en toch vervuld.
Overleef mij, spreek uit mij, ik ben Uw onderdaan, aan alle woorden onderdanig.

De Dichter…

Een mens is een dichter, hij kan niet anders.
De wereld zou te open zijn.
Wij leven tussen schuifpuien van poëtisch materiaal.
Lang leve de dichter!… hij dicht niet alleen… hij opent ook!
Nieuwe beelden, nieuwe vergezichten, het onbenoembare krijgt een naam…
Al schuivend en schuifelend komt hij vooruit… verzet hij de bakens… draagt hij zijn tijd.
Dichten om te openen.
Openen om te dichten.
Taal is adem voor een levende geest…

Ik ben een dichter, ik kan niet anders… ik viel in het gat!
Ik ben een dichter van de Grote Opening, want tussen links en rechts, boven en beneden, binnen en buiten, hemel en aarde gaapt het grote gat van mijn onwetendheid.
Hier speel ik het mij toebedeelde lot, beleef ik mijn vrijheid en onderga ik mijn angst.
Hier verklaar ik alles te weten, hier wordt mij alles ontnomen waarvan ik dacht dat ik het had.
Hier creëer ik het oordeel over mijzelf, omdat ik daartoe door mijn vrijheid gedwongen ben… Geroepen om het gat te dichten en de eeuwigheid te verstaan in mensenmaat…
Ik, dichter, die zelf de eeuwigheid in mij draag als een onbegrepen schat.

Ik ben een dichter, ik kan niet anders…
Met woorden vouw ik de wereld dicht en blaas met beelden de einder open.
Het woord is tweeërlei: het dicht en het opent. Waar het woord klinkt of geschreven wordt, ordent zich de chaos in een beeld, het woord concentreert, legt vast en laat zien.
Het woord bevrijdt mij door haar expressieve kracht en tegelijk verstikt zij mij door haar lezing, haar interpretatie. De dichter liegt, hij weet het. Je hoeft hem niet te verraden, hij verraadt zichzelf en geeft zich aan je over.

Ik ben een dichter…
Bind mij niet vast op mijn woorden, kruisig mij niet, door te schrijven bracht ik reeds mijn offer. Ik ben een dichter, laat mij vrij, ik dicht niet om te verklaren, ik dicht om te bestaan. In mijn woorden realiseer ik de zin van deze wereld, die wil stralen, zwemmen, vliegen, klauteren, graven, zoemen, gonzen, leven, sterven en gesproken zijn.

Ik ben een dichter…
Zeker, het woord is communicatie, maar niet in alles hoef je mij heel woordelijk te verstaan. Je mag mij ook beleven, en volgen in stilte. Ook kleur is communicatie, en geur en vorm.
Het woord is ook om mee te zingen, te schilderen, aanwezig te zijn. Woorden zijn wapens, hangbruggen in de wildernis. Woorden zijn woonplaatsen, ik nestel mij daarin.
Woorden zijn vensters met figuren… hoe transparanter het beeld, hoe dieper het woord.
Het Hoogste Woord licht alle beelden op en toont de Zin die onbespreekbaar is.
Hier moet de dichter zwijgen voor de Opener, die tegelijk de hoogste Dichter is.

Ik ben een dichter… open mij!

De Dwaas…

Ik ben de nar van zwart en wit, bij wie de kleur van binnen zit…
De kleur van binnen… dat is het Hoogste Woord, dat ik niet spreken kan…
De dichter is een dwaas, een visser van woorden en… van mensen.
Hij boeit om te bevrijden.
Kan het gekker?

Vissertje vang toch vis! … of denk je dat er meer te vangen is?
Zeker!… Het woord is een geheimenis!

Alles is een beeldspraak…wij zien door een beslagen spiegel, door een waas.
En in die waas bijten wij in het aas van de dichter, het beeld dat hij ons voorhoudt.
Waarom? Om te sterven!
Los te laten ons mager begrip en te winnen wat ons begrip te boven gaat.
En in te gaan in het Heel-en-Al, het Licht dat mij verlost.
Maar eerst dus as… en dan de stilte… diepe, diepe Stilte…
Dwaas… waas… aas… as… ssssss…

Is niet alles dwaas?
Niets van wat wij zien, gaat niet voorbij en alles wat wij zien, kennen wij niet echt, omdat het Grote Zijn waarin alles is en waarin elke cel zijn verklaring vindt ons ontgaat.
Wij dwazen, wij zijn zelf in de Kern, maar zoeken de Kern in de schil.
Duizend schillen vinden wij en zelfs nog meer en toch blijft ons hart verlaten.
Alleen door hard om onszelf te leren lachen, verbreekt misschien de laatste schil, die ons gevangen houdt: ons eigen ik!
Mijn eigen ik, dat als een roestvrij stalen bol met veel vertekende beelden pretendeert mijn ware aard te zijn, mijn identiteit.

Wat een lachspiegel is dit ik, deze dwaze bol, dit halsstarrig bolwerk van mijn verbeelding…
Mijn afgodisch Ego!… Lach!…Lach!…
Ach, ach, wat een wonderlijke dwaasheid is de mens, die al zoveel goden heeft gemaakt naar zijn beeld en hen daarna tot zichzelf liet spreken, van liefde, van wraak, voor wie hij knielde, op ging zitten, pootjes gaf, zichzelf opblies…
Hoe dwaas is de mens in al zijn ernst… hoe ernstig de dwaas in al zijn spot…

Ik ben een dwaas… ik voer het Hoogste Woord… mijn woordenkraam ligt vol met papieren slingers en aangevreten woorden, letterkettingen, beeldenhangers, roze kransen, mijmeringen, aarzelingen, scherven van geluk, zwarte en witte kralen geregen aan een gouden tuig, vissen die van de toren kraaien, spiegels zonder eigenbeeld, kaarsen die steeds langer branden… voor elke gek een goed gesprek.

en wat ik zeg valt niet te rijmen
maar leg de stukjes bij elkaar
dan klinkt van ver een galmen
en wordt de Dichter waar

Elke dag is een innerlijke reis.
Een mens is een dichter.
Wie kan de openheid van God verdragen?
Wie omvat het Mysterie waarin en waaruit wij bestaan?
Wie is zo open?
Wie is zo dicht?
Iedere dag is een leugen… maar hij die weet dat hij liegt is dichter bij God
om zijn Waarheid te verstaan.

Het is al weer lang geleden, ik was net tweeëntwintig, pas getrouwd…
Iemand sprak tot mij in een droom.
Iemand sprak tot mij zoals iemand tot je spreekt die opeens en onverwacht naast je staat en dan iets tegen je zegt over de dingen die gaande zijn, waar je met verbazing naar kijkt:
een soort samenvatting, een mededeling, iets verrassends, iets wat je niet had verwacht.

Zo sprak iemand in mij en tegen mij over de gebeurtenissen in mijn droom, en ik schrok los uit mijn slaap. Ik schrok van de boodschap, maar ook van de boodschapper, die ik niet had gezien. Alleen zijn stem had ik gehoord. Ik schrok van de vreemdeling in mij, die mij toesprak in de diepte van mijn domein, waar ik mij heer en meester waande.
Wakker geschrokken probeerde ik mij zijn woorden te herinneren, de boodschap opnieuw te binnen te brengen en tegelijk vroeg ik mij in verwarring af: Wie?… Wie ben je?

Want wie had hier zo heel persoonlijk tegen mij gesproken?
Geen vage, algemene boodschap was het geweest, maar heel stellig en met gezag.
Steeds weer vroeg ik mij dit af. Maar ook de droom zelf met zijn duidelijke beelden, zijn verhaal van een reis waarin ik zelf figureerde, maar waarin ik ook toeschouwer was zoals in een schouwspel… Ik zie de beelden nog na al die jaren: de lichtvoetige jongeling… de heuvel met knoestige, oude bomen… de witte stad in de vallei… daar is het niet… de kring met oude, wijze mannen… waren het herders? … de schitterende beker in hun midden… en dan…
het vuur… het kruis… de stem… opnieuw die vastberaden stem zoals bij de aanblik van de witte stad in de diepte van het dal… zomaar uit het niets… de stem van iemand die alles overziet…

‘Uit het vuur kwam de man van…. (staal en ?)…. maar je zult gelukkig zijn, want van nu af aan spreek je mijn taal in mijn tekenen’

Wie sprak hier? Wie of Wat heeft zoveel autoriteit?… zoveel recht van spreken…?
Was het de Heer des Huizes bij wie ik onverhoeds was binnengelopen om de beker te drinken die al voor mij klaarstond?
Was het de gestorvene wiens kruis mij werd getoond, wiens uitgewoonde schedel mij aanstaarde als een uitgeholde kalebas, wiens mantel over het kruishout lag als over een kapstok… een zwart geblakerd kruis… gesmeed ijzer leek het wel.
Wie?… dat zeker!…géén Wat!
Een sprekend Geheim… een Geheimzinnige Spreker… een Zinnige… met een boodschap van levenszin, van belofte, van geluk… niet alle woorden vond ik terug… maar deze weet ik zeker… mijn leven lang maken zij hun boodschap waar…

Hoeveel kan met zo weinig woorden worden gezegd!… daarom telkens weer: Wie?
Wie dan toch?… ongetwijfeld: een Dichter, een Samenvatter, een Bundelaar, een Verbinder!
Maar ook: waartoe?… met welke opdracht?… welke missie?
Tot zover alleen maar initiatie, inwijding, bevestiging… Ik ben er… voor jou.
Maar Wie? en waartoe?

En dan het vuur waarin de beker werd weggevaagd toen ik naar voren kwam om hem als vanzelfsprekend in ontvangst te nemen. Die beker, een prachtige kristallen kelk… het was blijkbaar alleen maar een lokkertje, een heilige leugen om mij te bewegen naar voren te komen, de handen uit te strekken. Deze stralende kristallen bokaal was blijkbaar nog niet het einddoel van mijn tocht, niet mijn bestemming, het ging niet om mijn eigen heerlijkheid.
Het vuur dat opschoot uit de beker maakte een einde aan deze begoocheling en toonde wat daarachter lag, waar het werkelijk om ging. De beker was alleen een gordijn, een waas, een aantrekkelijk decor dat nu werd opgetrokken.

Het vuur reinigde het beeld en liet mij zien waar het uiteindelijk om gaat… een offer!
Het gaat om een offer!.. Dat te zien, in iedere dagelijkse handeling. Dat te belijden in alles wat ons overkomt. Dit hele leven is een offer van God, waar wij ons bij neer zullen moeten leggen. Wij zullen moeten afleggen en het is goed dat dagelijks te oefenen, opdat wij scherper zullen zien en zo het Leven in zijn hoogste lichtheid mogen aanraken.

ehjeh
asher ehjeh

ik ben
die ik ben
die ik
hier ben
zo ben ik
gebarsten
gebroken
hier ben ik
hachelijk wonder
tijdelijk
stem

Memento mori ut vivamus